De rechtbank in Den Haag heeft een 18-jarige jongen veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen, waarvan 164 dagen voorwaardelijk, voor het dodelijk neerschieten van zijn 19-jarige vriend op 21 maart 2024 in Voorburg.
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte onvoorzichtig heeft gehandeld met een vuurwapen, maar dat hij het slachtoffer niet opzettelijk heeft gedood.
Het fatale incident vond plaats in een schuurtje bij de woning van de verdachte, waar het slachtoffer tijdelijk verbleef. De twee vrienden waren die nacht samen en zouden volgens de verdachte met een wapen hebben gespeeld dat kort daarvoor door hem was aangeschaft voor zijn eigen veiligheid. Tijdens dat ‘spelen’ ging het mis: het vuurwapen bleek nog geladen en het slachtoffer werd dodelijk geraakt.
De verdachte stelde dat het slachtoffer zichzelf per ongeluk had neergeschoten, maar uit forensisch onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut bleek het tegendeel. Volgens de rechtbank is het slachtoffer door de verdachte geraakt. Op basis van onder meer schotresten en verwondingen concludeerde het NFI dat de schootsafstand groter was dan mogelijk zou zijn als het slachtoffer zelf had geschoten.
Hoewel het bewijs uitwijst dat de verdachte het schot heeft gelost, ziet de rechtbank geen bewijs voor opzet. Daarom is de man vrijgesproken van doodslag en schuldig bevonden aan dood door schuld. Doorslaggevend hierbij is dat de twee bevriend waren, het slachtoffer juist werd opgevangen door de verdachte, en de verdachte direct na het schot hulp probeerde te verlenen.
De rechtbank noemt het bezit van een omgebouwd gaspistool levensgevaarlijk en stelt dat de tragische afloop aantoont hoe onverantwoordelijk en risicovol dergelijk bezit is. De gevolgen zijn volgens de rechtbank “onomkeerbaar en onherstelbaar”.
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank het jeugdstrafrecht toegepast, omdat de verdachte ondanks zijn leeftijd van 18 jaar nog onvolwassen gedrag vertoonde. Behalve de jeugddetentie kreeg hij een proeftijd van twee jaar met verplichte behandeling, dagbesteding en begeleiding. Ook geldt er een contact- en locatieverbod, onder meer voor het graf van het slachtoffer. Daarnaast moet hij ruim 50.000 euro schadevergoeding aan de nabestaanden betalen.

