Het Openbaar Ministerie (OM) heeft in hoger beroep gevangenisstraffen tot 20 jaar geëist tegen vier verdachten voor de huurmoord op Jan Elzinga. De 40-jarige Elzinga werd op 10 juli 2012 doodgeschoten in de Langestraat in Marum terwijl hij op klaarlichte dag naar het plaatselijke zwembad fietste.
In het hoger beroep hoorde de ex-partner van het slachtoffer en haar broer een eis van 20 jaar gevangenisstraf tegen zich, terwijl het OM wil dat hun moeder wordt veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf. Voor de vierde verdachte, een kennis van de familie, wordt een gevangenisstraf van 12 jaar passend geacht. Het OM stelt dat alle vier een aanzienlijke rol hebben gespeeld in het initiëren en organiseren van de moord.
De schutter en de persoon die de schutter regelde, waren eerder veroordeeld. De schutter kreeg in 2014 een gevangenisstraf van 15 jaar, en de regelaar werd in 2016 door de Hoge Raad veroordeeld tot 19 jaar en 7 maanden.
Het was de schutter die in zijn proces verklaarde dat de ex-partner van Elzinga en haar broer opdrachtgevers van de moord waren. Na zijn veroordeling bevestigde ook de regelaar van de schutter deze verklaring. Vervolgens verklaarde een kennis van de familie over de rol van hun moeder en een andere kennis. Deze laatste kennis verklaarde op zijn beurt dat de opdracht voor de moord van de familie kwam.
Het onderzoek werd in 2021 heropend, waarbij het OM een overeenkomst sloot met de veroordeelde regelaar, die kroongetuige werd. In ruil voor zijn verklaringen werd zijn celstraf met 30 procent verminderd. Zijn verklaringen en sms-berichten, waarvan later bleek dat een deel vals was, hebben geleid tot het opnieuw oppakken van de zaak.
In hoger beroep draait het onder meer om de vraag of de verklaringen van de kroongetuige als bewijs mogen dienen. Het OM benadrukt de bruikbaarheid en geldigheid van de kroongetuige, waarbij zijn verklaringen steun vinden in onderzoek na zijn getuigenis. Het hoger beroep is ook een gelegenheid voor de vier verdachten om te reageren, maar zij hebben geen verklaring afgelegd. De advocaat-generaal benadrukte tijdens de zitting dat dit het verwerkingsproces voor de nabestaanden bemoeilijkt en vroeg zich af waarom de verdachten de opdracht voor de moord op hun geliefde hebben gegeven.

