Klaas Otto, oprichter van motorclub No Surrender, moet ruim 1,6 miljoen euro aan de Staat betalen.
De rechtbank heeft het bedrag vastgesteld in een zogenoemde ontnemingsprocedure, waarin wordt bepaald hoeveel iemand volgens justitie met criminele activiteiten heeft verdiend en moet terugbetalen.
De zaak draait onder meer om de autohandel van Otto in Bergen op Zoom. Politie en justitie onderzochten de administratie over de periode van 2007 tot en met 2016.
Volgens het Openbaar Ministerie beschikte Otto in die jaren over aanzienlijk meer geld dan op basis van zijn legale inkomsten verklaarbaar was. Justitie stelde daarom dat het bedrijf jarenlang was gebruikt om geld uit criminaliteit wit te wassen.
De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op iets meer dan 1,6 miljoen euro. Het bedrag lag aanvankelijk aanzienlijk hoger. Het OM berekende eerst dat Otto voor meer dan 3 miljoen euro voordeel zou hebben genoten en stelde de uiteindelijke vordering later bij tot bijna 1,9 miljoen euro.
Otto heeft de beschuldigingen steeds tegengesproken. Volgens hem gebeurde er niets illegaals binnen zijn autobedrijf. Hij wees er onder meer op dat het bedrijf met behulp van een gemeentelijke subsidie was opgezet.
De rechtbank heeft vanwege het lange tijdsverloop van de procedure bovendien 5.000 euro in mindering gebracht. De uitspraak is nog niet definitief, omdat zowel Otto als het OM nog in hoger beroep kunnen gaan.
De ontnemingszaak staat niet los van Otto’s eerdere veroordeling. Hij werd in 2018 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf voor onder meer witwassen, afpersing en bedreiging. In 2020 begon het OM vervolgens de aparte procedure om vermeend crimineel vermogen van hem af te pakken.
Otto werd vooral bekend als oprichter van No Surrender. Hij richtte de motorclub in 2013 op nadat hij eerder betrokken was geweest bij Satudarah. No Surrender groeide vervolgens uit tot een motorclub met tientallen afdelingen in Nederland en daarbuiten.
De club kwam al snel nadrukkelijk in beeld bij politie en justitie vanwege verdenkingen tegen leden en bestuurders. Het OM stelde dat binnen No Surrender sprake was van een cultuur waarin geweld, intimidatie en het afschermen van leden werden gestimuleerd. Ook werden leden in verband gebracht met onder meer drugshandel, wapenbezit en afpersing.
In 2019 besloot de rechtbank Noord-Nederland dat No Surrender moest worden verboden en ontbonden. Volgens de rechtbank vormde de organisatie een gevaar voor de openbare orde. De rechter stelde onder meer vast dat een groot aantal leden structureel betrokken was geweest bij ernstige strafbare feiten en dat de hiërarchische structuur van de club ervoor zorgde dat de verschillende chapters en zogenoemde brotherhoods onderdeel waren van dezelfde organisatie.
Het verbod betekende dat niet alleen de centrale organisatie werd getroffen, maar ook de onderliggende chapters en brotherhoods. De rechtbank bepaalde dat No Surrender moest ophouden te bestaan en dat ook het gebruik van de naam, logo’s en andere kenmerken van de organisatie moest eindigen.
Daarmee werd No Surrender onderdeel van een bredere juridische aanpak van zogenoemde outlaw motorcycle gangs. De Nederlandse overheid probeerde dergelijke motorclubs niet alleen via strafzaken tegen individuele leden aan te pakken, maar ook via civiele verboden tegen de organisaties zelf.
De huidige uitspraak raakt daarmee opnieuw aan een belangrijk onderdeel van die aanpak: niet alleen gevangenisstraffen, maar ook het afpakken van vermoedelijk crimineel vermogen. Voor Otto betekent de uitspraak dat hij, als deze definitief wordt, ruim 1,6 miljoen euro aan de Staat moet betalen.

