De Britse politie heeft erkend dat de huiszoekingsbevelen voor de woningen van de voormalige Britse prins Andrew onrechtmatig waren.
De broer van koning Charles had de rechtmatigheid van de doorzoekingen aangevochten, maar ondanks de erkenning mag het strafrechtelijk onderzoek naar zijn vermeende rol in de zaak rond Jeffrey Epstein doorgaan.
De politie van Thames Valley doorzocht eerder dit jaar zowel de huidige als de voormalige woning van Andrew Mountbatten-Windsor.
Dat gebeurde rond zijn arrestatie op 19 februari. Hij wordt verdacht van ambtsmisbruik tijdens zijn periode als speciaal handelsgezant van de Britse regering, tussen 2001 en 2011.
De verdenking houdt verband met overheidsdocumenten die Andrew zou hebben doorgespeeld aan Epstein, de in 2019 overleden Amerikaanse zedendelinquent. Rechercheurs zochten tijdens de huiszoekingen onder meer naar harde schijven, telefoons en laptops. Voor de doorzoekingen was vooraf toestemming verleend door een rechter.
Andrew en zijn advocaten bestreden de geldigheid van de huiszoekingsbevelen. Tijdens een zitting bij het hooggerechtshof kwamen de betrokken partijen donderdag tot overeenstemming dat de bevelen onrechtmatig waren.
Dat betekent niet dat het onderzoek daarmee van tafel is. De politie mag de in beslag genomen spullen bewaren tot een hoorzitting in 2027. Welke gevolgen de onrechtmatige huiszoekingen uiteindelijk hebben voor de strafzaak, is nog niet duidelijk.
De voormalige prins wordt al langer in verband gebracht met Epstein. Virginia Giuffre beschuldigde Andrew eerder van seksueel misbruik, maar hij heeft die beschuldigingen altijd ontkend. Later kwam ook een tweede vrouw met soortgelijke aantijgingen.
De banden met Epstein hadden al grote gevolgen voor Andrews positie binnen het Britse koningshuis. Koning Charles ontnam zijn broer eind vorig jaar zijn titels van prins en hertog.
Het strafrechtelijk onderzoek naar de verdenking van ambtsmisbruik loopt ondertussen door.

