De rechtbank in Den Haag heeft een 21-jarige vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor haar rol bij het overlijden van haar pasgeboren dochter.
Het kind kwam op 30 september 2024 ter wereld in een schuur bij een woning in Noordwijkerhout en overleed kort na de geboorte.
Uit het vonnis blijkt dat de vrouw tijdens haar zwangerschap geen medische hulp heeft gezocht. Hoewel zij eerder dat jaar tegenover de vermoedelijke vader twijfels had geuit over een mogelijke zwangerschap en rekening hield met een bevalling in oktober, schakelde zij geen arts in en liet zij geen controles uitvoeren. Ook hield zij haar zwangerschap grotendeels geheim voor haar omgeving.
De bevalling vond plaats in een onverwarmde schuur in de achtertuin, waar het die nacht ongeveer negen graden was. De vrouw stond er alleen voor. In de vroege ochtend werd zij door haar vriend en moeder aangetroffen. Zij verkeerde in slechte toestand en werd per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. In de schuur troffen hulpverleners een emmer aan met daarin de placenta. Daaronder lag het lichaam van een voldragen baby.
Onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut wees uit dat het meisje na de geboorte heeft geademd en geen aangeboren afwijkingen had. Een exacte doodsoorzaak kon niet worden vastgesteld. Wel concludeerden deskundigen dat een pasgeborene onder deze omstandigheden zonder directe verzorging vrijwel geen overlevingskans heeft, onder meer door het risico op onderkoeling en een te lage bloedsuikerspiegel.
De rechtbank oordeelt dat de vrouw bewust heeft nagelaten hulp in te roepen en geen enkele vorm van zorg of voeding heeft geboden, terwijl zij wist dat haar kind volledig afhankelijk was. Volgens de rechters heeft zij daarmee willens en wetens het risico aanvaard dat haar dochter in een hulpeloze situatie terechtkwam. Het overlijden wordt juridisch toegerekend aan dit nalatige handelen.
Bij het bepalen van de straf hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten en het gebrek aan inzicht in de persoonlijke situatie van de verdachte. Zij weigerde mee te werken aan psychologisch onderzoek, waardoor geen duidelijk beeld is ontstaan van haar mentale toestand of het risico op herhaling.
Naast de onvoorwaardelijke celstraf van twaalf maanden geldt voor het voorwaardelijke deel een proeftijd van vijf jaar. Volgens de rechtbank is een langere toezichtperiode noodzakelijk, mede omdat de vrouw zich in een levensfase bevindt waarin zij opnieuw zwanger zou kunnen raken en er weinig zicht is op haar persoonlijke problematiek.

