Zeventien jaar na de gewelddadige dood van Onno Kuut heeft het Openbaar Ministerie in hoger beroep opnieuw zware straffen geëist tegen twee Rotterdamse broers die volgens justitie verantwoordelijk zijn voor de moord.
Hoewel het OM de zaak beschouwt als een van de ernstigste moordzaken uit die periode, kunnen de maximale straffen die nu nog geëist mogen worden niet hoger uitvallen vanwege eerdere veroordelingen van de verdachten.
Volgens het OM staat vast dat de 30-jarige Kuut in maart 2009 op gruwelijke wijze om het leven kwam. Zijn lichaam werd enkele dagen na zijn verdwijning gevonden in een ondiep graf in de duinen bij Hoek van Holland.
Uit het onderzoek bleek dat hij voorafgaand aan zijn dood zwaar geweld had ondergaan. Hij werd onder meer in zijn hals en nek gestoken, zijn gezicht werd verminkt en zijn keel werd doorgesneden.
Justitie houdt de broers Cor P. en Brian P. verantwoordelijk voor de moord en het wegmaken van het lichaam. Tegen hen zijn in hoger beroep gevangenisstraffen geëist van respectievelijk 10 jaar en 3 maanden en 9 jaar en 7 maanden.
Het OM benadrukte tijdens de zitting dat deze straffen niet de ernst van de zaak weerspiegelen. Volgens de aanklagers zou in beide zaken een gevangenisstraf van 27 jaar passend zijn geweest als wettelijke beperkingen dat hadden toegestaan.
De zaak kreeg jaren geleden al veel aandacht doordat de vier oorspronkelijke verdachten bevriend waren met het slachtoffer. Alle vijf droegen dezelfde rugtatoeage, wat leidde tot de bijnaam van de zaak rond de zogenoemde tattookillers.
In 2020 sprak de rechtbank alle vier de verdachten vrij, ondanks een eerdere eis van levenslang tegen ieder van hen. Het OM legde zich daar niet bij neer en besloot in hoger beroep te gaan.
Tijdens het aanvullende onderzoek zijn volgens justitie nieuwe aanwijzingen naar voren gekomen. Zo zou Brian P. in een afgeluisterd gesprek hebben verteld hoe het lichaam van Kuut in de duinen werd begraven. Daarnaast hebben bekenden van het slachtoffer verklaard dat Cor P. meerdere keren zou hebben gezegd betrokken te zijn geweest bij de moord. Waar de rechtbank deze verklaringen eerder onvoldoende vond voor een veroordeling, ziet het OM daarin nu wel belangrijke steun voor het bewijs.
Voor twee andere verdachten, E.S. en J.S. uit Leerdam, vraagt het Openbaar Ministerie juist vrijspraak. Justitie vermoedt dat zij mogelijk op de hoogte waren van plannen rond het geweld tegen Kuut, maar ziet onvoldoende bewijs dat zij daadwerkelijk betrokken waren bij de moord zelf.
Volgens het OM draagt de zaak nog altijd het karakter van een persoonlijke afrekening. Waarom Kuut precies moest sterven, is echter nooit duidelijk geworden. De verdachten hebben gezwegen en volgens justitie hebben ook belangrijke getuigen geen openheid van zaken gegeven.
Daarmee blijft voor de nabestaanden een cruciale vraag onbeantwoord, terwijl justitie ervan overtuigd is dat de mannen die verantwoordelijk worden gehouden voor de dood van Kuut hem bewust uitzonderlijk veel leed hebben aangedaan voordat hij werd gedood.

