De vondst van twee rugzakken met zware explosieven bij een gaspijplijn in Servië heeft geleid tot grote onrust over mogelijke sabotage van essentiële energie-infrastructuur in Europa.
De explosieven lagen nabij Kanjiza, op korte afstand van de grens met Hongarije.
Volgens de Servische autoriteiten ging het om krachtig materiaal, inclusief ontstekingsmechanismen. De locatie maakt de situatie extra gevoelig: de pijplijn speelt een belangrijke rol in het transport van Russisch gas richting onder meer Hongarije.
De Servische president Aleksandar Vučić heeft direct contact opgenomen met de Hongaarse regering om de ernst van de situatie te benadrukken. In Boedapest werd daarop snel geschakeld. Premier Viktor Orbán riep een spoedoverleg bijeen met de nationale defensieraad.
De zorgen zijn groot omdat Hongarije in sterke mate afhankelijk is van Russisch gas. Eventuele sabotage zou directe gevolgen kunnen hebben voor de energievoorziening. Eerder werden al extra beveiligingsmaatregelen genomen rond vitale infrastructuur.
De vondst leidt ook tot politieke spanningen. Vanuit Hongarije wordt voorzichtig gewezen naar mogelijke betrokkenheid van Oekraïne, al ontbreekt daarvoor concreet bewijs. Oekraïne verwerpt die suggestie en stelt dat het ook kan gaan om een opzettelijke misleidingsactie, waarbij juist Rusland betrokken zou kunnen zijn.
De situatie onderstreept de kwetsbaarheid van energievoorzieningen in Europa, waar geopolitieke spanningen en strategische belangen steeds vaker samenkomen rond cruciale infrastructuur.

