De rechtbank in Den Haag heeft twee jonge mannen van 20 en 21 jaar oud veroordeeld voor hun betrokkenheid bij de beschieting van een woning in Alphen aan den Rijn op 12 oktober 2024.
De bewoners waren op dat moment niet thuis, maar volgens de rechtbank hadden de gevolgen fataal kunnen zijn. De derde verdachte, een 24-jarige man, is vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs.
De 21-jarige verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. De 20-jarige kreeg eveneens 30 maanden cel, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Volgens de rechtbank werkten de twee nauw samen en hadden ze duidelijke en bewuste rollen bij de uitvoering van het schietincident.
De 21-jarige man kreeg de dag voor het incident via Snapchat de opdracht om de woning te beschieten. Hij zou daarvoor 2.000 euro ontvangen. Hij nam daarop contact op met de 20-jarige medeverdachte, die instemde om voor de helft van het bedrag de beschieting uit te voeren. Het vuurwapen werd geregeld door de opdrachtgever, die het in Rotterdam ophaalde. De beschieting werd uitgevoerd door een derde persoon die door de 20-jarige verdachte werd ingeschakeld. De instructie was om tweemaal te schieten en het incident op beeld vast te leggen.
Kort na het schietincident werden de twee verdachten in een voertuig aangehouden. De rechtbank stelt dat beide mannen uit puur financieel gewin handelden en geen enkele rekenschap gaven van de gevolgen voor de slachtoffers of de buurt. Dat de bewoners op het moment van de beschieting elders verbleven vanwege eerdere dreiging, doet volgens de rechtbank niets af aan de ernst van de feiten.
Achtergrond van het geweld lijkt te liggen in een conflict rond een partij cocaïne van 1400 kilo die in augustus 2024 werd buitgemaakt bij een ripdeal in België. Kort daarna werd in een loods in Ter Aar, eigendom van de werkgever van het latere slachtoffer, ingebroken. Sindsdien vonden meerdere gewelddadige incidenten plaats, vermoedelijk als drukmiddel richting de loodsbezitter en zijn personeel.
De 24-jarige medeverdachte is vrijgesproken. Volgens de rechtbank zijn de aanwijzingen voor zijn betrokkenheid, waaronder betalingen en berichten op zijn telefoon, onvoldoende om te spreken van medeplegen of medeplichtigheid.


