De rechtbank Den Haag heeft een man veroordeeld tot vier jaar cel en tbs met dwangverpleging voor het doden en in stukken zagen van zijn partner.

Volgens de rechtbank kan niet bewezen worden dat de 41-jarige verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Tijdens een ruzie zou hij in een opwelling zijn vrouw hebben gedood. Hiermee heeft hij zich schuldig gemaakt aan doodslag. Daarvoor wordt hij sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Volgens het rapport van het Pieter Baan Centrum was hij geheel ontoerekeningsvatbaar toen hij zijn partner in stukken heeft gezaagd met een elektrische zaag.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte bestraft dient te worden voor zijn handelen voor zover hem dit kan worden toegerekend, dus voor de bewezen verklaarde doodslag. Op grond van zijn geestesgesteldheid rekent de rechtbank het doden van zijn partner in mindere mate aan de verdachte toe dan de officier van justitie.

De rechtbank komt zodoende tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. Hierbij laat de rechtbank ook meewegen dat het van belang is dat de verdachte binnen afzienbare tijd behandeld kan worden.