Een Amerikaanse federale rechter heeft zware kritiek geuit op een juridische deal tussen Donald Trump en de Amerikaanse belastingdienst IRS.
Volgens de rechter werd het rechtsproces gebruikt om persoonlijke voordelen voor Trump en zijn politieke achterban veilig te stellen. De overeenkomst blijft voorlopig wel van kracht.
De zaak draaide om het uitlekken van belastinggegevens van Trump tijdens zijn eerste termijn als president.
Tussen 2018 en 2020 wist een medewerker van een bedrijf dat voor de IRS werkte vertrouwelijke informatie van Trump en duizenden andere vermogende Amerikanen buit te maken. Deze medewerker, Charles Littlejohn, werd later veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.
Trump stapte samen met zijn zoons Eric en Donald jr. naar de rechter en eiste een schadevergoeding van 10 miljard dollar van de IRS en het ministerie van Financiën. Volgens hen had de overheid onvoldoende gedaan om het datalek te voorkomen.
De procedure eindigde in mei met een opvallende schikking tussen de betrokken partijen. Onderdeel daarvan was dat de IRS geen verder onderzoek zou doen naar oude belastingaangiftes van Trump, zijn familie en hun bedrijven. Daarnaast werd een compensatiefonds van bijna 1,8 miljard dollar opgenomen voor slachtoffers van vermeend overheidsmisbruik.
Juist dat fonds zorgde voor grote politieke ophef. Door de brede voorwaarden konden mogelijk ook personen die betrokken waren bij de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 aanspraak maken op een vergoeding. Democratische politici vielen de regeling fel aan en spraken van een bevoordeling van Trump en zijn aanhangers.
In haar vonnis van 56 pagina’s stelt de rechter dat de rechtszaak nooit een normaal juridisch conflict was. Volgens haar stonden Trump, de IRS en het ministerie van Justitie niet tegenover elkaar als onafhankelijke partijen. Trump had als president invloed op zowel de belastingdienst als het ministerie, waardoor volgens de rechter sprake was van een belangenconflict.
De rechter oordeelde dat de procedure werd ingezet om de indruk te wekken dat bepaalde voordelen via een normale juridische weg waren verkregen. Volgens haar ging het onder meer om bescherming tegen belastingonderzoeken en financiële voordelen voor politieke bondgenoten.
Hoewel de rechter de handelwijze bekritiseerde, besloot zij de overeenkomst niet ongeldig te verklaren. De schikking blijft daardoor voorlopig bestaan.

