Een 60-jarige wegenwachter uit Eindhoven riskeert een celstraf van vier jaar, waarvan twee voorwaardelijk, omdat hij in mei 2023 een man die hem had bestolen met zijn ANWB-bestelbus doodreed.
Het slachtoffer, een 56-jarige fietser zonder vaste woon- of verblijfplaats, overleef het incident niet.
De fatale confrontatie vond plaats nadat de wegenwachter een automobiliste met pech stond te helpen bij een supermarkt aan de Urkhovenseweg. Tijdens de reparatie verdwenen zijn telefoon en portemonnee met 600 euro contant geld uit zijn bedrijfswagen. Via een tracking-app wist de zoon van de man de gestolen telefoon te lokaliseren.
Bij een speeltuintje aan de Kempensebaan trof Wil van G. drie mannen aan. Hij herkende een van hen als de dief en stapte schreeuwend uit met een grote bandenlichter in zijn hand. De verdachte man greep een fiets en probeerde te vluchten.
Tijdens de rechtszaak werden beelden getoond waarop te zien is hoe de wegenwachter met hoge snelheid een groenstrook overstak en de fietser van achteren aanreed. Het slachtoffer kwam onder de wielen terecht. Vervolgens reed de bestuurder achteruit over het lichaam heen. Enkele dagen later bezweek de man aan zijn verwondingen.
De verdachte zat ineengedoken in de rechtbank en gaf aan mentaal volledig in de war te zijn. Sinds het voorval zit hij ziek thuis en gebruikt hij diverse medicijnen om rust te kunnen vinden. Hij waarschuwde dat een celstraf hem fataal zou worden.
Na het incident verbleef Van G. zeven weken in voorlopige hechtenis, maar werd hij vrijgelaten omdat de gevangenisomgeving onvoldoende mogelijkheden bood voor behandeling van zijn psychische problemen. Het Openbaar Ministerie erkende deze klachten maar benadrukte dat de man eigen rechter speelde en op levensgevaarlijke wijze achter de dief aanging.
De officier van justitie stelde dat de wegenwachter waarschijnlijk niet de dood van de dief beoogde, maar dat iedereen begrijpt dat zo’n achtervolging met een bestelbus achter een fietser levensbedreigend is. Naast de celstraf eiste het OM een rijverbod van vijf jaar. Het Openbaar Ministerie omschreef de zaak als atypisch met een atypische afloop. De rechtbank doet op 4 juni uitspraak.

